Bandenspanning: welke druk hoort bij je auto en waar vind je die?
De juiste bandenspanning voor je auto staat in het instructieboekje en vaak ook op een sticker in de deurstijl of achter het tankklepje. Op kenteken kun je de bandenspanning niet opzoeken: die staat niet in de gegevens van de RDW. Meet als de banden koud zijn, minstens eens per maand en voor een lange rit. Rijd je met een volle auto, dan schrijft de fabrikant vaak een hogere spanning voor.
Waar je de sticker vindt en hoe je hem leest
De sticker of het plaatje zit volgens de ANWB meestal aan de binnenkant van het portier, in de deurstijl aan de bestuurderskant. Staat hij daar niet, kijk dan op de binnenkant van het tankklepje of in het instructieboekje.
Op zo’n sticker staan vaak aparte waarden voor de voor- en achterbanden, en soms voor meerdere bandenmaten. Zoek dan de regel die past bij de maat op je banden; hoe je die maat leest, staat bij bandenmaat lezen. Bij veel personenauto’s ligt de spanning tussen 2,0 en 2,8 bar. Gebruik dat als grove indicatie, niet als vervanging van het getal voor jouw auto.
Waarom bandenspanning op kenteken niet bestaat
In de open data van de RDW staan onder meer massa’s, wielbasis en het aantal wielen, maar geen bandenmaat of bandenspanning. Ook op het kentekenbewijs staan die gegevens niet. Een kentekencheck, ook die van ons, kan de juiste spanning daarom niet tonen. De sticker in de deurstijl en het instructieboekje blijven de bron.
Zo meet en pomp je
Koud betekent volgens de ANWB: op een dag waarop je nog niet hebt gereden, of na hooguit 5 kilometer. De meter bij een tankstation is vaak niet nauwkeurig en geeft meestal te veel aan. Met een eigen bandenspanningsmeter weet je het zekerder.
- Draai de ventieldopjes los en stel de pomp in op de gewenste spanning.
- Zet het mondstuk recht op het ventiel en druk het stevig aan. Beweeg het niet heen en weer: ventielen kunnen afbreken, ook de ventielen van bandenspanningssensoren.
- Wacht tot de pomp de spanning heeft bereikt en trek het mondstuk recht van het ventiel.
- Draai de dopjes terug en kijk meteen naar het profiel en naar beschadigingen.
Moet je bij één band meer dan 1 bar bijvullen, dan is er waarschijnlijk iets mis, zoals een lek of een lekkend ventiel. Laat de band dan repareren; wat je bij een lek doet, staat bij lekke band. Vergeet het reservewiel niet. Een smal noodwiel, de thuiskomer, heeft een veel hogere spanning; die staat in het instructieboekje.
Meer spanning bij een volle auto of caravan
De waarde voor rijden met volle bepakking, bijvoorbeeld op vakantie, staat op dezelfde sticker of in het instructieboekje. Volgens de ANWB kun je bij een zwaar beladen auto of met een caravan erachter de spanning iets verhogen; houd daarbij de waarde van de fabrikant aan.
De banden van de caravan zelf hebben een eigen spanning. Kijk in het instructieboekje van de caravan of vraag het de dealer. Bij versterkte banden en C-banden ligt de spanning volgens de ANWB tussen 3,0 en 5 bar.
Voor een motor, scooter of aanhanger werkt het net zo: de waarde staat in het instructieboekje van dat voertuig. Wat er voor caravans en aanhangers bij de APK geldt, lees je bij APK voor caravan en aanhanger.
Wat te lage spanning met je auto doet
Een band met te weinig lucht maakt de auto minder goed bestuurbaar. De auto kan bij het remmen scheef trekken en de remweg wordt langer. De band wordt ook warmer, waardoor de kans op een klapband toeneemt. Daarnaast slijt de band sneller of onregelmatig en stijgt het verbruik door de grotere rolweerstand.
Het bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)
Volgens de ADAC moeten alle nieuwe auto’s sinds 2014 een bandenspanningscontrolesysteem hebben. Er zijn twee soorten:
- Direct: elk wiel heeft een sensor die de druk en de temperatuur meet.
- Indirect: het systeem leidt een drukverlies af uit het draaigedrag van de wielen, gemeten met de toerentalsensoren bij de wielen. Na het bijstellen van de spanning of het wisselen van wielen moet je zo’n systeem opnieuw instellen, meestal met een knop of via het menu. Hoe dat bij jouw auto gaat, staat in het instructieboekje.
Het systeem vervangt het zelf meten niet. Het lampje gaat volgens de ANWB pas branden bij een afwijking van meer dan 20 procent. Wat het lampje betekent en wat je doet als het brandt, lees je bij het bandenspanningslampje.
Bandenspanning en de APK
De keurmeester controleert of de spanning klopt met wat de fabrikant voorschrijft. Kan de spanning niet worden gemeten, dan volgt afkeur. Bij auto’s die na 31 december 2017 in gebruik zijn genomen, mag het bandenspanningscontrolesysteem bovendien geen storing tonen.
De eisen staan bij banden en de APK. Loopt een band steeds opnieuw leeg of blijft het lampje branden na het oppompen, laat het dan nakijken bij een garage in je buurt. Profiel, maat en seizoen komen aan bod in het overzicht autobanden.
Veelgestelde vragen
Kan ik de bandenspanning opzoeken op kenteken?
Nee. De bandenspanning staat niet in de kentekengegevens van de RDW. Kijk op de sticker in de deurstijl, achter het tankklepje of in het instructieboekje.
Hoeveel bar moet er in mijn autobanden?
Dat verschilt per auto, bandenmaat en belading. Bij veel personenauto’s ligt het volgens de ANWB tussen 2,0 en 2,8 bar, maar alleen de waarde van de fabrikant is juist voor jouw auto.
Wat is de juiste bandenspanning voor een caravan?
Die staat in het instructieboekje van de caravan of vraag je na bij de dealer. Voor versterkte banden en C-banden noemt de ANWB 3,0 tot 5 bar.
Waarom brandt het lampje nog na het oppompen?
Bij een indirect systeem moet je het systeem na het oppompen opnieuw instellen. Brandt het daarna nog, lees dan verder bij het bandenspanningslampje.
Bronnen: ANWB, bandenspanning controleren; ANWB, autobanden oppompen; ANWB, caravanbanden; ADAC, Reifendruck-Kontrollsystem; RDW, gegevens op het kentekenbewijs; RDW, open data gekentekende voertuigen; RDW, APK-handboek, banden personenauto’s. Gecontroleerd op 24 oktober 2026.